Twee choreografieën die elkaars tegenhanger zijn, en waarvan het enige evidente subject en object de dans is. De confrontatie van de choreograaf met de groep en het te voorschijn brengen van de individualiteit in de beweging vormen de basis voor twee choreografische essays waarin Thierry Smits terug op de planken staat en Johann Sebastian Bach de rol van DJ speelt.
In Dionysos’ last day (‘de laatste dag van Dionysos’) doet hij dat door de choreografische daad te choreograferen en zelf te dansen, iets wat hij, op enkele performances na, sinds zijn eerste solo La Grâce du Tombeur niet meer gedaan heeft. In de confrontatie van deze ‘zeer slechte danser’ (zoals hij zichzelf noemt) van 40 jaar met de groep jonge en schitterende dansers worden de mogelijkheden, de twijfels en impasses van het sculpteren met het lichaam onderzocht. De spanning tussen de groep en zijn ontbinding, tussen mobiliteit en verlamming zijn de twee hoofdlijnen van het choreografisch discours, waarin de hele emotionele lading vervat zit.
In Stigma (in het Frans ‘lichtgevoelig punt bij sommige eencellige wezens‘, of in het Nederlands ‘zichtbare wonden ontstaan onder invloed van psychische processen’ of nog ‘reproductie van de wondtekens van Christus bij sommige mystici’) laat de choreograaf het terrein over aan zeven dansers voor een helse gebarencarroussel, die wordt ingekleurd door de diversiteit van de karakters en de gemeenschappelijke drang om te dansen. Alle mogelijkheden worden geëxploreerd, vaak op virtuoze manier, ludiek en verrukkelijk, hoewel de lichamen ook momenten van uitputting kennen. De accumulatie van de gebarentaal creëert niettemin in zijn veelzijdigheid een coherent geheel. Johann Sebastian Bach die er na de choreografische compositie werd bijgehaald, begeleidt de dans met fragmenten uit de Kunst der Fuge, die in de voorstelling bijna als popmuziek klinken.

















